Ik ben bang dat maar weinigen zich mij zullen herinneren. Toch heb ik wel degelijk deel uitgemaakt van de geschiedenis van de Volmarijnstraat in Rotterdam. Mijn naam is Laurens Gerrit van Herp maar werd vroeger Renny genoemd. Op een haar na werd ik in deze straat geboren. Het was echter begin 1950 en mijn moeder was nog zwak door de oorlog. Het levenslicht zag ik dus in het ziekenhuis. Ik woonde in het bovenhuis van nummer 71 waar ook mijn grootmoeder, tot haar dood in 1945, had gewoond met haar gezin. In 1964 verhuisden wij naar het prachtige Limburg en verliet ik de straat waar ik mijn jeugd beleefde. Het huis werd overgedaan aan de familie Hoste, een familie die wat verder terug in een benedenhuis woonde.

Ik wil wat namen en herinneringen delen. Vooral in de hoop dat er nog mensen zijn die dit herkennen. Reacties zouden mooi zijn, maar veel hoop heb ik hier niet op. Is ook niet zo erg. Als de huidige bewoners er maar iets aan hebben.

In de jaren vijftig werd in de Volmarijnstraat op straat geleefd. Het was een levendige straat met heel veel jeugd. Het was een hele nette middenstandstraat. Veel leraren, vertegenwoordigers en kleine ondernemers. Naast ons was de garage waar dhr. Mees, van de bank, zijn auto stalde. Zijn chauffeur woonde met zijn gezin boven de garage. Na zijn dood kwam, na enige tijd, de autoverhuur van Van Muyen op deze plek. Eerst zijn Simca’s en later zijn Opels domineerden het straatbeeld. Zonder zijn compagnon en ‘technisch wonder’ Duiker had hij het waarschijnlijk nooit klaargespeeld. Onder ons, in het benedenhuis, woonde juffrouw Bosma, een heel lieve vrouw vele jaren met haar dominante vader.

Mijn beide ouders waren druk met zaken doen en ik werd dus als baby verzorgd door mevrouw Wustrow. Zij woonde in een huis waar later, naar mijn idee, de Pinkstergemeente in is getrokken. Haar zoon trouwde met Riet, die aan de overkant woonde. Zij hadden twee zoons, Sjakie en Eddy. Zeer tragisch was dat hun vader op jonge leeftijd overleed. Met Sjakie zat ik op de lagere school in de C.P. Tielestraat.

Wat verderop in de straat was de groentezaak van de familie van Dijk. De stal van hun paard lag achter de zaak. Voordat die ’s ochtends aan het werk kon moest eerst de hele voorraad aan de kant worden gezet anders kon hij er niet uit. En dat was elke dag. Het was een goed katholiek gezin. Een grote familie dus. Toen zoon Jacques de zaak overnam moest hij verschillende huizen in de straat huren om zijn gezin te kunnen herbergen. Zijn bekroning is denk ik de opening geweest van de delicatessenzaak aan de Claes de Vrieselaan. Zijn oudste zoon Peter was jarenlang mijn allerbeste kameraad.

Wie herinnert zich de kapper nog op nummer 77? Een zure oude baas met zijn bejaarde kater, die niet meer in deze tijd thuis hoorde. Ik kan me het nog zo goed voor de geest halen: dat oude beduimelde en donkere zaakje waar deze eenzame oude man zijn beslommeringen had. Hij werd plotseling dood aangetroffen en zijn zaak kwam leeg te staan. Daarna werd het niet meer bewoond.

Ik weet nog goed dat wij ook ‘welstand’ in de straat hadden: de familie Van Zessen met hun deftige rijwielzaak op de hoek. Ze verkochten alleen de betere merken fietsen. De jongens konden er mee door. Daar was niets mis mee. Hun ouders hadden het, als gegoede middenstanders, naar mijn mening iets te hoog zitten. Ze woonden in een bovenhuis in de straat met daaronder de rijwielstalling. De herstelwerkplaats was in het souterrain van het hoekpand aan de Claes de Vrieselaan. Voor het oppompen van je band moest je 5 cent betalen, de kniepers! Toen de familie verhuisde kwam Edy Van Looy er te wonen met zijn ouders en mooie zusters.

In het hoekpand tegenover de rijwielzaak was een slijterij gevestigd. De opslag en kelders, met de immens grote wijnvaten kwamen uit in onze straat. Het was een indrukwekkend gezicht als de wijnvoorraden werden aangevuld.

Naast Van Zessen was de brandweerpost gevestigd. Het blusvoertuig was niet meer dan een handkar voorzien van wat slangen. Mijn vader was bij de vrijwillige brandweer. In de oorlog had hij zijn mannetje gestaan. Zijn uniform in het begin jaren ‘50 bestond uit een zware zwarte mantel en een oude Engelse legerhelm. Als er alarm was, ging er bij ons thuis een bel luiden. Als mijn vader er was, rende hij naar het einde van de straat en rukte uit. Hevig puffend achter deze handkar. Voor dit alarm was door de hele straat bedrading langs de gevel aangebracht. Wellicht zijn delen van de draden daarvan nu nog steeds aanwezig! Later werd dit veel moderner en veel minder romantisch. Het uitrukgebied werd groter, de alarmering ging via de telefoon en mijn vader kreeg een lichtgewicht uniform.

Ons leven speelde zich af in ons gedeelte van de straat. Ik had niet zoveel contact met anderen uit het begin van de straat. Ook niet met kinderen uit de 2e Volmarijnstraat aan de andere kant van de Claes de Vrieselaan. De enige die ik me nog goed voor de geest kan halen is Tom. Hij woonde aan het begin van onze straat in de buurt van de schoenmakerij en was een toffe gozer. Nu zou hij een hangjongere zijn, toen was hij gewoon een nozem. Ondanks zijn brommer was hij wel een nette nozem. Zijn plek was, samen met nog een tiental anderen, de portiek van een kledingzaak op de hoek van de Nieuwe Binnenweg. Tegenover de patatzaak van Kareltje. Tom gaf mij ooit zijn kapotte draagbare radio. Ik repareerde deze en het zou mijn leven veranderen. Nog steeds beheerst elektronica mijn bestaan. Tom ging naar de Koninklijke Marine en wandelde vol trots door de straat in zijn uniform. Later flaneerde hij met zijn vrouw en kind. We spraken elkaar jammer genoeg nooit meer.

Op de Nieuwe Binnenweg woonde een heel stoere bink die Eef heette. Hij was ouder dan 18 jaar en had zijn rijbewijs al. Wij jonge knullen en waarschijnlijk alle jonge meiden uit de buurt aanbeden hem. Hij kwam veel in onze straat. Hij was stoer en durfde alles. Het was onze Fonzie en onze held.

Tegenover ons woonden meneer en mevrouw de Bruin. Ze waren verpleegkundigen en hadden veel jaren in de tropen gewerkt. Ze waren de eersten in de straat met een televisietoestel. Op woensdagmiddag hadden zij de voorkamer vol met kleine kinderen zitten die naar ‘Dappere Dodo’ en ‘Tante Hanny’ kwamen kijken. Ik was ook zo’n kind. Einde jaren vijftig werd er bij ons een antenne op de zolder geplaatst en wij kregen onze eigen tv.

Wat deuren terug woonde een man die duiven hield. Het was fascinerend hem, in zijn stofjas, bezig te zien om die hele grote wolk van vogels weer op het hok terug te krijgen. Zijn lokroep zal me altijd heugen. Via een open raam zocht ooit één van zijn beschermelingen onze zolder op. De buurman is toen via de dakgoot zijn duif gaan zoeken op onze zolder. Deze inbraak kon mijn moeder echter absoluut niet op prijs stellen. Jammer dat de buurman dit niet begreep.

Onze Volmarijnstraat vormde voor vele bedrijven aan de Nieuwe Binnenweg de achterdeur. Wat mij vooral bij is gebleven is bakker Ulrich. Ik herinner me de kinderen die bedelden om een broodje als zijn bezorgers met hun handkarren langskwamen. Weinig schooien vond echter plaats als de schillenboer langskwam. Eerst met zijn paard en wagen. Later met zijn ijzeren hond, een kar die in plaats van een paard een vreselijk herriemakende motor voorop had. Hij kwam twee keer per week en het stonk altijd kolossaal. Ook onze stalen vuilnisbakken werden twee keer per week geledigd.

Hansje Smit was mijn boezemvriend uit het begin van mijn leven. Hansje woonde in het midden van de straat en was niet zo erg gezond. Hij zat op een speciale openluchtschool waar longpatiënten heen gingen. Zijn vader werkte in de haven en het gezin verhuisde op een gegeven moment naar de wijk Charlois. Ik heb nooit meer iets van hem gehoord.

Dan was er nog de familie tegenover ons. Opa had suikerziekte en verloor daardoor een been. Toen hij overleed werden alle ramen behangen met witte lakens. De dochter was lerares in de Franse taal. Ze was zeer gefrustreerd toen ze na een paar weken in Parijs moest vertellen dat de mensen haar daar absoluut niet hadden kunnen verstaan. Haar broer was een begiftigd pianist/organist. Hij werkte in nachtclubs maar op zondag was zijn tijd voor de zondagschool en de inmiddels verdwenen kerk aan de ’s Gravendijkwal.

Hoeveel lezers herinneren zich de waterstokerij met zijn grote hoeveelheid snoep? De kleding wasserij waar later een auto-onderdelenhandel in kwam? De donkere schoenmakerij waar de baas tot laat in de avond voor het raam aan het werk was? Of de legendarische Jan de Turk met zijn garagebedrijf en voor de deur een benzinepomp. Jan hield veel van kinderen maar had ze, tot zijn groot verdriet, zelf niet. Wij kinderen mochten altijd met Ome Jan mee als hij in zijn Chevrolet bestelauto naar de sloperijen ging om onderdelen te halen. Hij had alles voor ons over. Ome Jan verdient een aureool. Later vertrok hij uit de straat en werd de grootste Lancia dealer uit Rotterdam en omstreken.

Vele dingen zijn niet genoemd, maar absoluut niet vergeten. De Claes Vrieselaan met de Melkkop en zijn vriendelijke Brabantse familie, de sigarenhandel en daarnaast de drogist. De slagerij en de Ermi. Natuurlijk ook Jamin waar je op warme zomerse dagen een plak ijs kocht voor 10 cent uit het loket.

In 1964 kreeg mijn vader een leuke baan in Limburg aangeboden. Eerst als bouwer en daaropvolgend als bedrijfsleider van een groot recreatiecentrum. Tot hun dood, op 86 jarige leeftijd, bleven mijn ouders daar. Ik trok de gehele wereld door en kwam uiteindelijk met mijn gezin in Amersfoort terecht. Echter dat smalle straatje en zijn omgeving in Rotterdam-West zal ik niet gemakkelijk vergeten worden. Er zijn niet veel slechte herinneringen bij. Dat kan ook niet. De tijd kleurt herinneringen gelukkig vaak wat mooier.

De groeten van:
Rens van Herp
Uilvlinder 18
3822AC Amersfoort
033-4550455
E-mail : l.vanherp@hitecsms.com

Hieronder staan links naar enkele foto's die de heer van Herp heeft toegestuurd:

Foto 1: Slangenwagen No 32 in 1946 voor de deur van huis nr. 80
Foto 2: De brandweer is uitgerukt voor een brand in de buurt van de Volmarijnstraat. Op de voorgrond hoofdbrandwacht Gé van Herp in grijs pak.
Foto 3 + 4: Rens van Herp en Hansje Smit in 1955. Gé van Herp repareert de uitlaat van zijn Opel Super Six. Op de achtergrond een zeer jonge Eddy Wustrow.
Foto 5 + 6: R. van Herp als zeeverkenner in een zeer lege straat in 1962. Iets verderop is de benzinepomp van Jan de Turk te zien. Overzicht einde van de Volmarijnstraat rond 1960. De kapperszaak en de auto’s van verhuurbedrijf Van Muyen.